Slavenhuisjes

De slavenhuisjes op de dijk die het Pekelmeer van de Caribische Zee scheidt, in het zuiden van Bonaire, zijn wereldberoemd en uniek. Op de meeste plekken in de wereld zijn namelijk alle herinneringen uit de slaventijd zorgvuldig uitgewist.

Op Bonaire zijn veel zwarte slaven uit Afrika tewerkgesteld in de zoutpannen en op de plantages. In 1863 kwam daar een einde aan, in dat jaar werd namelijk de slavernij op de Antillen afgeschaft.

De koraalstenen slavenhuisjes zijn in 1837 gebouwd. Voor die tijd sliepen de slaven in de buitenlucht of in kleine houten hutjes. Op twee plaatsen langs het Pekelmeer zijn verschillend gekleurde slavenhuisjes te zien.

Bij de witte pan staan de witte slavenhuisjes en okergele slavenhuisjes vind je bij de rode pan. Bij de witte slavenhuisjes staat ook nog een groter huis. Dit huis was voor de ‘bomba’ (de opzichter).

De kleine tweepersoonshuisjes (nauwelijks anderhalve meter hoog) hebben geen ramen en bezitten kleine deurtjes waarbij je je nu amper kunt voorstellen dat daar twee volwassen mannen in konden slapen. Soms sliepen er zelfs zes slaven in één huisje!

De slavenarbeiders moesten werken in de zoutpannen van het zuiden van Bonaire maar woonden in het midden van Bonaire in het plaatsje Rincon. Het was voor de slaven een wandeling van zeven uur om vanaf de zoutpannen naar de familie in Rincon te lopen. Daarom bouwde de West- Indische Compagnie (WIC) in 1850 de slavenhutjes waardoor de slaven niet iedere dag op en neer hoefden te lopen. 

De WIC zette tijdens de oogst van het witte goud ongeveer vijfhonderd slaven in. Het werk in de zoutpannen was bijzonder zwaar. De slaven moesten met houwelen, schoppen en kruiwagens het zout uit de zoutpannen hakken. Bovendien zorgde de immer loeiende tropenzon voor lastige omgevingsfactoren.

Een groot deel van de slaven werd blind door de weerkaatsing van de bovengenoemde zon op de zoutkristallen. Daarnaast stonden de slaven hele dag met hun blote voeten en handen te werken in de bijtende zoutbasins.

Na 1850 woonden een deel van de overheidsslaven in Tera Cora (Tera Kora). Tijdens de slaventijd werd deze plaats ‘Mundo Nobo’ (nieuwe wereld) genoemd.

Tera Cora ligt een stuk dichter bij de zoutpannen van Bonaire. Hierdoor hoefden de slaven veel minder ver te lopen. Tera Cora is tegenwoordig een van de buitenwijken van Kralendijk (net achter het vliegveld).

De WIC gebruikte Bonaire ook als een strafkolonie voor militairen die zich hadden misdragen. Deze gestraften moesten evenals de slaven dwangarbeid verrichten in de zoutpannen van het koraaleiland.

Slavenhuisjes Bonaire

De slavenhutjes zijn recent door de Stichting Nationale Parken Nederlandse Antillen (Stinapa) grondig gerestaureerd en in hun oorspronkelijke staat hersteld. Daarnaast zijn er duidelijke informatieborden bij de locatie geplaatst waar op een heldere manier de geschiedenis van de zoutwinning op Bonaire wordt uitgelegd. Op deze manier proberen de Bonairiaanse autoriteiten deze belangrijke monumenten voor de komende generaties te behouden.

Slavernij

De slavenhandel uit de 17de eeuw die opgezet werd door de Hollanders, Engelsen, Fransen en Portugezen, vormt een zwarte bladzijde uit de wereldgeschiedenis.

Zwarte Afrikanen werden vanuit Afrika naar het Caribische gebied verscheept en daar verhandeld om tewerk gesteld te worden in Noord-Amerika, Zuid-Amerika en op de Caribische eilanden. Hier moesten de slaven zwaar werk verrichten op de verschillende soorten plantages, in de havens en in de zoutpannen.

In totaal vervoerden Hollandse schepen een half miljoen slaven van de westkust van Afrika naar de koloniën in de ‘West’. In 1863 werd de slavernij in de Nederlandse kolonies volledig afgeschaft. Vanaf dat moment werden er op Bonaire 758 slaven in vrijheid gesteld.

Op het moment dat er geen slaven meer ingezet konden worden op Bonaire was het voor de WIC niet meer rendabel om de zoutpannen en plantages op het koraaleiland operationeel te houden.

Op Curaçao waren de slaven particulier bezit. Op Bonaire waren de slaven eigendom van de staat. Dit was een groot verschil. De slaven op Bonaire waren hierdoor veel vrijer dan de slaven op Curaçao.

De slaven op het duikeiland werden ‘katibu di rey’ (slaven van de koning) genoemd. De staatslaven op Bonaire hadden onder andere hun eigen tuintjes waar ze groentes en fruit verbouwden. Daarnaast hielden ze geiten en varkens voor eigen consumptie.

Deel deze pagina: